Caran d'Ache

Er was een tijd – bijna een eeuw geleden – dat de mensen in Europa opgelucht waren. Ze zeiden: “De Grote Oorlog is voorbij.” Ze ruimden puin, bakten brood, vergaten de gaten in de muur. Tot jaren later een rangtelwoord op de deur klopte. “Ik ben de Tweede”, zei de onaangekondigde bezoeker. Hij keek over zijn schouder. Achter hem speelden kinderen verstoppertje bij een monument voor de Grote Oorlog, die zich voortaan de Eerste mocht noemen.

Ze hield huis, die Tweede. Vijf lange jaren, tot ze op een dag haar ransel pakte en vertrok. Langzaam krabbelde Europa overeind. Maar we bleven oplettend. Want we wisten: er zijn veel loslopende rangtelwoorden, die plotseling op je stoep kunnen staan.

Het leven in Den Bosch hernam zich. Ordentelijk, maar zonder veel kleur. In Cinema Royal aan de Hinthamerstraat zagen mijn ouders ‘Casablanca’ in zwart-wit. Fotobureau Het Zuiden ontwikkelde kiekjes met kartelrand in zwart-wit. Wij zongen ‘Witte zwanen, zwarte zwanen’ en renden over schoolpleinen. Vrijwel alles voldeed aan die twee uitersten in kleur: het signalement van goed en kwaad, de Oost-Indische inkt op het papier, zelfs de zakjes met salmiak. Zwart-wit.

Dat zou veranderen. In 1968 pakte ik aan de Hudsonlaan in Den Bosch-West een cadeau van mijn opa uit. Een doos kleurpotloden van Caran d’Ache. Op het ijzeren deksel stond een alpenlandschap. Sneeuwwitte bergtoppen, knalblauwe lucht, grasgroen dal. Ik was tien en zag dat vrijheid niet zwart-wit was. Voor mijn opa had vrijheid achter de bergen gelegen. Voor mij lag ze binnen handbereik. “Zuinig op zijn”, waarschuwde opa en tikte op het deksel. “En niet te hard drukken. Anders breken de punten.”Kort daarop stierf hij, een man van de zwart-witgeneratie. In mijn potlooddoos wachtte een regenboog van cederhout.

Zoals 4 mei naar 5 mei kantelt, zo scharnierde ook die doos Caran d’Ache. Met gesloten deksel leek de wereld zwart-wit. Maar als je hem openklapte, kreeg alles kleur. Ik pakte de potloden en kleurde. Wij Bosschenaren kleurden. Miljoenen Nederlanders kleurden. En we noemden het vrijheid. Het deksel van de doos ging niet meer dicht.

Al 67 jaar zijn wij vrije mensen. Op onze stoepen staat nog geen nieuw rangtelwoord. Toch kan waakzaamheid in Nederland geen kwaad, nu vrijheid wordt verward met afwezigheid van maat. Want dit is het land van de vrijheid om alles te zeggen en te doen, just because you can. Erger: het land waar in naam van de vrijheid openlijk haar tegendeel wordt beleden. Zij hebben het nooit kunnen voorzien, de honderden steenhouwers die na 1945 grote woorden in onze monumenten beitelden. Dat dit het land zou worden, waar je de vrijheid hebt om gelijkheid en broederschap een vergissing te noemen.

Wie dat duldt, wacht een land vol slijpsel en gebroken potloodpunten. Te hard gedrukt. Te slordig gekleurd. Te ruw geslepen. Kijk in hun dozen Caran d’Ache: enkel korte potloodjes. Op twee na, de zwarte en de witte. Want dat is de paradox: wie geen maat voert in zijn vrijheid, houdt onvrijheid over.

Nog enkele uren. Van 4 mei naar 5 mei. Van zwart-wit naar kleur: laten we het vieren. In de Oranjestraat in de Graafsewijk, de Groensteeg in Bokhoven, de Geelbesvallei op de Maaspoort. Overal in deze stad. Omdat vrijheid verlangt dat we kleur bekennen.

_______________________________

publicatiedatum in het Brabants Dagblad: zaterdag 5 mei 2012

deze tekst is ook uitgesproken bij de dodenherdenking op 4 mei aan de Hekellaan in Den Bosch [EA]