Kippenvel

Voor zover ik kan reconstrueren, ben ik in Den Bosch verwekt. Waarschijnlijk haperde de zender van Lopik halverwege het hoorspel op Hilversum 1. “Wat van boven de rivieren komt, deugt niet”, zal mijn moeder hebben verzucht, waarna ze die avond vroegtijdig de warmwaterkruiken vulde. Zo dank ik mijn leven vermoedelijk aan een radiostoring. Extra bewijslast dat ik in deze stad ben ontstaan? Eind jaren vijftig waagden Bosschenaren zich zelden buiten de wallen. Soms vertrok er een durfal. Om nooit meer terug te keren – of in een doodskist vol spijt.

Van de toenmalige 68.000 inwoners wandelden er velen wekelijks naar de Zuidwal. Vaste prik: terwijl de een zich schrap zette, boog de ander zich over de rand. “Wè ziede?”, luidde steevast de vraag. En altijd klonk er een antwoord waarin angst en verrukking elkaar verdrongen. Vreemd genoeg trok de Oscar-winnende avonturenfilm ‘The Abyss’ [1989] oftewel ‘De Afgrond’ amper lokale bezoekers. Na een vergeefse advertentiecampagne ontdekte Eurocinema wat er loos was: ’s avonds met een zak popcorn over de wallen staren, vonden honderden Bosschenaren minstens zo opwindend.

Naast bathofobie – het bestaat: huiver voor diepte – onthult deze stad een gebrekkig maatgevoel. Aanvankelijk liet de Bossche denk- en daadkracht zich uitdrukken op de Schaal van Madurodam. Maar halverwege de jaren negentig kantelde Den Bosch zelfverzekerd van XS naar XL. Drie bewijzen. Het stadsbestuur wist met Houdiniaanse lenigheid aan het dossier-Stienstra te ontsnappen. Vanuit de hemel zag Gerrit Schulte met grote ogen – maatje 28 x 1 ¾ – hoe Den Bosch de Tour de France 1996 verwelkomde. En drie maanden later stapte Rombouts het stadhuis binnen. Zijn eerste daad: het boekenrekje opschonen. ‘Dorp aan de rivier’ belandde bij het oud papier, evenals de stukgelezen roman ‘Alles in het klein’ van Eriek Verpale. Voortaan maakte het College van B&W ezelsoren aan ‘De grote wereld’ van Arthur Japin en Mulisch’ meesterwerk ‘De ontdekking van de hemel’. Groter denken, groter doen. In die geest heeft Den Bosch zich tot de plezierigste stad van Nederland ontwikkeld. ‘We’ zijn Beste Binnenstad van Nederland, Vestingstad van Europa, Culturele Hoofdstad van het Zuiden, Groenste Stad van Nederland – al ken ik een paardenkastanje die daar genuanceerder over denkt – en Stad van Jheronimus Bosch. De trofeeën en bokalen glimmen, het wachten is op de eerste stadhuisbode die met zilverpoetsvergiftiging in het GZG eindigt. Klaar met de prijzenjacht? Nee. Het motto ‘Less is more’ – “Wè zeet-ie?” – is in Den Bosch aan dovemansoren gericht. Meer landelijk aanzien willen we. En nog meer publieke erkenning.

Zo hebben we ons opgeschroefd tot Hoofdstad van de Smaak 2010. Dat klinkt als gerookte citymarketing op een bedje van kassastroken met een sausje van friszure doelgroepen uit eigen tuin. Maar volgens beleidsmakers gaat het erom Den Bosch ‘op de kaart te zetten’. Curieus. Al op een vijftiende-eeuwse kaart staat de stad vermeld. Ook uit de recente Times Atlas Of The World zijn we godzijdank niet weggegumd. Toch blijven we de stad ‘op de kaart zetten’. Hoeveel mateloosheid kan zo’n kaart verdragen? Op een dag zal Den Bosch door de atlas zakken. Terwijl we in een baan om de aarde draaien, zal iemand die ene Bossche vraag stellen: “Wè ziede?” En het antwoord zal oud maar vertrouwd klinken. Over bodemloze diepte. Over duizend vraagtekens aan de horizon. En over kippenvel dat er eerder was dan het ei.