Tussentijdse teksten

Zeven was ik, misschien acht. Met mijn klasgenoten vormde ik een lange rij, waaruit af en toe zenuwachtige lachjes klonken. Volgens de verha...
Lees verder
Onze taal is vol kabaal. Sommige woorden danken hun bestaan zelfs aan de geluiden die ze nabootsen: gong, koekoek, bom. Maar ook sissen, kra...
Lees verder
‘Ze zijn vriendschappelijk, diepgelovig en dapper’, noteerde de zestiende-eeuwse stadschroniqueur Molius. Hij had het niet over aartsengelen...
Lees verder
Ze treden in ’t krijt aan de rand van de stadin de strijd om geluk te herstellende Welshmen en Tommies, krap tienduizend manverenigd in code...
Lees verder
Van een stuitligging kijkt geen enkele verloskundige op. Evenmin van een kind dat met de helm wordt geboren – hoe meer zieners hoe meer vreu...
Lees verder
Kun je verschrikkingen lang van tevoren zien naderen? Ons oog is gebrekkig, leert de geschiedenis. Maar wie zijn zintuigen de kost geeft, ka...
Lees verder
Elk bos is een collectie van geuren. Je ruikt elfenbankjes. Vogelstruif. Hartstocht bij zuidzuidwestenwind. Maar een fervent lezer zal een a...
Lees verder
Toen ik zes was, kreeg ik een lui oog. Het linker. Dat bracht ongemak, maar ook vage schuldgevoelens. Ik was bang dat het een straf was voor...
Lees verder
Zevenhonderd ranke takkenstengels twijgen riet en kleivlechtwerk van vernuft en klasseaan het water – panta rhei Oeverloos beschermt he...
Lees verder
Meneer van der Slot woonde op de Kruiskamp. Hij was een kind-noch-kraai-dode die een onthutsende inboedel achterliet. Afgelopen vrijdag is h...
Lees verder