Sleutelkind
Haar vader was slotenmaker op de Walpoort in Den Bosch. Een eerzaam beroep, al wist hij zijn boekjaren zelden in zorgeloosheid af te sluiten. Zijn werkplaats was klein en bedompt. Het had maar één raampje, dat afhankelijk van het seizoen kierde of klemde. Toch kwam Anna er graag. Ze had een zwak voor de verse geur van ijzervijlsel. Uren kon ze in stilte naar het handwerk van haar vader kijken. Nauwgezet sleep hij inkepingen in metaal. Zo was Anna honderden keren getuige van de geboorte van een sleutel, die toegang tot onbekende werelden zou bieden.
De vonkenregens in de werkplaats konden haar niet altijd verlichten. Anna had aanleg voor te grote nadenkendheid. Ze behoorde tot de dunhuidigen, een zijtak in de evolutie die amper is opgewassen tegen de grofgebekten, de lomperiken en gordeldierige dikhuiden die hun opmars in de wereld voortzetten.
Een winterkind was ze, geboren in de nacht van 24 op 25 december. Zonder complicaties, maar haar eierschaligheid vormde een bron van ouderlijke zorg. “Ik zag het al in de wieg”, zou haar moeder later honderden keren vertellen. In de stad stond Anna te boek als het meisje met de mosgroene ogen waarin stokoude vraagtekens woonden.
Ook de werkplaats kende raadsels. Het heiligste der heiligen was een kastje aan de muur. waarin haar vader een verzilverde loper bewaarde. Een zogeheten moedersleutel, afkomstig uit de opeenvolgende nalatenschappen in Anna's slotenmakersfamilie, die al eeuwen de deuren, poorten en kluizen van Den Bosch wist te openen. Geen vergrendeling hield stand tegen deze loper: het erfstuk opende in een handomdraai elk weerbarstig klavierslot, bontebaardslot of cilinderslot. Dat wist Anna enkel uit overlevering. Zelf had ze de wonderlijke sleutel nog nooit gezien. Alleen haar vader mocht het kastje openen. Het was zijn tabernakel van de toegankelijkheid.
Vuurtorens
Vanaf de dag dat ze kon lezen, bracht ze minder tijd in de werkplaats door. Voor Anna werd kennis de sleutel die toegang tot het leven gaf. Elke dag raadpleegde ze naslagwerken in de bibliotheek. Haar encyclopedische kennis van de wereld raakte intimiderend groot. Nooit stond ze met haar mond vol tanden. Ze kon je alles uitleggen over de groeiwijze van schorseneren, rijmschema's in de liederen van Hadewych of de lichtpatronen waaraan je de vuurtorens van Bretagne kon herkennen. Met hetzelfde gemak vertelde ze over de voortplanting van termieten, de eindelijk ontrafelde dna-code van de paradijsvogel of de etymologie van het woord hartstocht.
Zo ontwikkelde de dochter van de Bossche slotenmaker zich tot een levende loper. Anna stelde duizend-en-een vragen, waarna evenzovele poorten naar kennis en wijsheid zich openden. Op haar zeventiende wist ze ongekend veel. Ze sprak 37 talen, waaronder Japanse en Servo-Kroatische dialecten; kon uren vertellen over quarks, fotonen en andere bouwsteentjes van het universum; liet verslagen schaakcomputers in huilen uitbarsten.
Toch bleef haar geest koortsig. Op slapeloze nachten opende ze het raam van haar dakkapel en las de hemel boven de stad. Ze kende elke planeet of nevel in de Melkweg bij naam, zelfs onbekende sterrenpatronen – de Arend, de Raaf, de Zuidervis. Terwijl Den Bosch op één oor lag vond Anna gezelschap bij de Haas, de Voerman en de Kleine Beer.
Het liefst voerde ze gesprekken met het sterrenbeeld Cygnus oftewel de Zwaan. Veertien miljard jaar had hij aan de noordelijke hemel op haar gewacht. Want hij wist dat zij, het meisje met de vragen, zich ooit zou melden.
Aanraakbaar
Bij elke rendez-vous met het uitspansel groeide Anna's verlangen om het laatste onbekende gebied te doorgronden – de wereld van mystiek en mysterie. Op een middag in december besloot ze een lijst aan te leggen. Met vragen over het ongerijmde. Over mirakels. Over het onzichtbare en onzegbare. Over dat wat zich hardnekkig aan Excel-bestanden, natuurkundige wetten en logica onttrekt.
Die nacht opende ze het sleutelkastje van haar vader, verliet het ouderlijk huis aan de Walpoort en liep de duisternis in. Toen ze bij de Sint-Jan aankwam, keek ze schielijk om zich heen en haalde de zilverkleurige loper uit haar jaszak. Het slot van het torendeurtje klikte soepel open. Na 218 treden was ze boven, opende een luik en kroop op de omgang van de toren. Hoog boven de stad voelde ze de aanraakbaarheid van alle mysteries.
Tegen de westenwind in schreeuwde ze eerste vragen van haar lijst:
Waar ligt het verdronken rijk van Atlantis?
Wiens beeltenis staat op de lijkwade van Turijn?
Waarom is Stonehenge gebouwd?
Terwijl Anna haar stem verhief, stak ze het erfstuk van vele generaties Bossche slotenmakers de lucht in. Een bezwering om alle verborgen kennis te ontgrendelen. Bij hoge uitzondering gaf de hemel antwoord, omdat ze in de kerstnacht was geboren en liefde voor sleutels had. Wel stelde het universum twee strikte condities. Ze zou de antwoorden nooit met iemand mogen delen en ze diende maat te houden in haar honger naar kennis.
“Dat beloof ik”, riep Anna. En slingerde nieuwe vragen de nacht in:
Hoeveel wonderen hebben op voorspraak van de Zoete Moeder plaatsgevonden, buiten de 481 mirakels die al zijn beschreven?
Bestaat de steen der wijzen?
Wie schrijft de choreografie voor de zwermen spreeuwen op zomeravonden?
Opnieuw gaf de hemel antwoorden. Maar onwilliger, met haperingen. Het sterrenbeeld Zwaan waarschuwde het meisje voor de valkuil van de hoogmoed en stelde haar voor om niet alle mysteries te ontrafelen.
“Nog even”, riep Anna, waarna ze loper opnieuw de lucht in stak en indringende vragen stelde:
Zijn wij alleen in het universum?
Bestaat het toeval?
Is er leven na de dood?
Het bleef even stil. Toen gaf de hemel antwoord. Kortaf, haast wrevelig. De Poolster oogde zelfs dof en vroeg haar om de lijst met vragen dicht te vouwen en nooit meer te openen. Maar het meisje kon zich niet beheersen. Hoog op de Sint-Jan beukte nog één vraag tegen de wind in:
Wat is het lot van de mensheid?
Toen liet ze de loper onverhoeds uit haar hand vallen. De zilverkleurige sleutel maakte een vrije val die miljoenen jaren leek te duren. In de diepte hoorde Anna het geluid van brekend metaal. Ze wentelwiekte de trappen af, hurkte geschrokken aan de voet van toren en raapte de twee stukken van de gebroken loper op. Ze voorvoelde dat de mensheid weer van voren af aan zou moeten beginnen. Toch welde er geen verdriet in haar. Integendeel.
Een nieuw begin was een nieuwe kans.
Onderweg naar de Walpoort begon Anna te zingen. Of preciezer: iets bracht haar tot zingen. Een werktuiglijkheid die niet onaangenaam was. Aan haar mond ontsnapten rode en oranje klanken. Noten uit een vurige partituur, waarvan de sleutels – C, F en G – het mysterie van de zang niet ontgrendelden, maar juist verzegelden. De hemel luisterde en was gerustgesteld. Omdat wij zoekers zijn. Omdat wij niet zonder vraagtekens kunnen.
_________________
◙ © voordracht ihkv het kerstconcert 'Nu syt willecome!' van Cappella Pratensis op donderdag18 december 2025 in de Sint-Jan in Den Bosch.
