Flap en Fup

De wereld is een bouwpakket, mompelde God. Hij pakte zijn hobbymes en liniaal en kerfde een kanaal in het landschap. Mooi, zeiden de mensen. Ze gaven het de naam van hun koningin. Soms fietsten ze naar de sluizen: kijken of de Unitas voorbijkwam. De Eenheid. Want die was ver te zoeken in de wereld.

Einde van het sprookje? Nee, het begin. Want langs het Máximakanaal duiken kikkervisjes, vogelkuikens en jonge vosjes op. Maar ook lisdodde, wilg en kamille. Om de komst van dat nieuwe leven te vieren, eet Johan Mees elke dag een beschuit. Met veel muisjes – hij is stadsecoloog.

Zijn gemeentelijke werkgebied is 118 km² groot. Verkenningen doet hij bij voorkeur op de fiets – zo’n 7.000 dienstkilometers per jaar – met een verrekijker in zijn heuptas. Deze ochtend begint hij bij sluis Empel. Tevreden kijkt hij uit over het Kanaalpark in wording. Een lang lint van natuur tussen Maas en Zuid-Willemsvaart. Oppervlakte: zestig hectaren, waar een halfverhard pad doorheen loopt.

Voordat Johan de dijk af rijdt, wijst hij op een kluitje bomen. Er zit een beverburcht – een van de zeven tussen Bokhoven en Gewande. Als eerbetoon staan houten bevers op de toegangspalen van het park. Maar eentje is er al foetsie. Knaagsporen? Nee. Zaagsporen. Karwei of Gamma.

Johan rijdt het zes kilometer lange fiets- en wandelpad op. Het heeft water aan weerszijden: het kanaal en de nieuwe Rosmalense Aa, een slingerend beekje. Hij wijst op een brede uitsparing in de taludrand van het kanaal. „Da’s nou een fup”, zegt Johan. Een fauna-uittredingsplaats, voor dieren die per ongeluk te water raken. Op de beek drijft een groene drab. „En da’s flap’’, glimlacht Johan. Het is de Engelse term voor draadalgen. De aanwezigheid ervan wijst op voedselrijkdom.

Niet alleen de vissen en amfibieën smikkelen. Ook de grauwe ganzen. Bij een vijver zitten er enkele uit te buiken. Log en lelijk – de nijlpaarden van de lucht. Maar verjagen is zinloos, zegt Johan. De sterk bemeste Nederlandse landbouwgronden blijven Tafeltje Dekje.

Onder het viaduct van de Empelseweg wijst hij op verse sporen van vos en konijn. Enkele andere diersoorten in het gebied: waterspitsmuis, kikker, das en ree. Tot de nieuwkomers behoren ook de rode geuzen, onverstoorbare grazers die het zonder antibiotica of extra wintervoer redden. De otter laat zich nog niet zien. Wel een zwetende hardloper. Hij hijgt voorbij in een hemdje van de Vestingloop. Arme man: na 9,5 week nog altijd de finish op de Parade niet gevonden.

Hopelijk vindt hij wel stadsboerderij Eyghentijds aan de parkrand. Die heeft een uitnodigend terras, vijftig Bossche landvarkens – scharrelvlees, geen nieuw scheldwoord – en circa 60.000 vreedzame bijen.

Johan Mees is al zes jaar stadsecoloog. Zijn groene bloed is een erfelijke kwestie. Zijn opa was veldwachter in Den Bosch. Als hij een stroper betrapte, kwam-ie met smakelijke paling of haas thuis. Anno 2015 nuttigen ze in Huize Mees vooral zelfgeplukte paddenstoelen, eigengemaakte vlierbessenwijn of compote van Japanse duizendknoop. Zijn de stropers in Den Bosch verleden tijd? Johan zwijgt veelbetekenend. Die baksteen door de voorruit van z’n auto in 2011 zei genoeg.

Maar hij houdt van zijn werk. Morgen weer nieuwe beschuit met muisjes! Op alle jonge planten en dieren die binnen Den Bosch geboren worden. Flap en Fup: de babynamen van de toekomst.

------------

Publicatie in Brabants Dagblad: 22 juli 2015