Een vlucht ganzen

The spam filter installed on this site is currently unavailable. Per site policy, we are unable to accept new submissions until that problem is resolved. Please try resubmitting the form in a couple of minutes.

Ze hingen slingers in mij op. Er was een taart. Met honderd kaarsjes die ik mocht uitblazen. In mijn holle hallen zongen ze luidkeels 'Lang zal hij leven.’

Honderd ben ik. Eerbiedwaardige leeftijd, maar scherp van geheugen. Een februaridag in 1912: Henri Grasso zompte hier rond in drassige grond. De fabrikant van zuivel- en margarinemachines fronste zijn wenkbrauwen. Ten westen van het spoor in Den Bosch lag louter terra incognita. Niks wilde er groeien, behalve dotterbloem, lepelblad en genadekruid. Henri stond daar niet vaderziel alleen. Hij was in gezelschap van F.C. de Beer. Dat klinkt als een elftal van circus Toni Boltini, maar is het niet. FC de Beer was een Tilburgse architect.  

Oetels

Ietwat beteuterd keken de twee mannen om zich heen. Grasso zuchtte. Moest hij zijn te kleine fabriek in Vught verlaten voor dit niemandsland? De ondernemer stootte de architect aan en schamperde: “Dit is een paradijs voor oetels, maar geen donk te zien waarop je een fabriek zou kunnen bouwen.” FC de Beer zweeg, wat knap is voor een Tilburger.

In vertwijfeling keek de fabrikant omhoog. Toen zag hij ze overkomen. Talloze ganzen in een V die uitwaaierde. De V van vette jaren, vooruitgang en V-compressor. En hij wist dat het een voorteken was. “We doen het”, mompelde Henri. De volgende dag begon FC de Beer mij te tekenen, nadat hij drie jaar eerder de veevoederfabriek van Koudijs had ontworpen. Hij rekende, schetste, gumde. Hier sta ik.

Mijn bouw was een ramp, leert het verslag dat F.C de Beer op 23 januari 1914 schreef. Een aaneenrijging van horreur, waar het dossier van de Titanic – die krap twee jaar eerder verging – een wat zoetig kinderboek bij is. Ik beleefde stakingen; doorstond 37 dagen van barre kou, hitte en storm waarop alle werkzaamheden stillagen en ik hoorde Grasso – ook al was het een katholiek man – regelmatig godslasterlijk vloeken over de nalatige aannemer, die liever mooie beloftes dan muren metselde. Goed beschouwd is het een wonder dat ik hier sta. Alleen al dat miraculeuze feit rechtvaardigt een feest.  

Bramen

Even een geruststeling: over mijn stevigheid hoeft niemand zich sappel te maken. Mijn fundament bestaat niet uit de doorslagen van al die dikke stapels dwangbevelen en sommaties die Henri tijdens de bouw de wereld in stuurde. Integendeel. Zijn grondvesten zijn de mijne: ik ben gebouwd op wilskracht en geloof in vooruitgang. Trouwens, niet alleen ik. Ook mijn broer, die links van de poort staat. Wij samen, voor 173.000 gulden op de wereld gezet.

Mijn broer is de deftige van de familie. Die heeft gestudeerd. Zo’n jongen die bij bramen aan zachte vruchtjes denkt en niet aan vlijmscherpe staalranden waar je je handen aan openhaalt. Toch had hij glas-in-lood ramen en koperen trapleuningen nodig om maatschappelijk nog iets voor te stellen. Ik niet. Ik doe het met muren die al een eeuw hun plaats kennen. Nog een verschil: mijn chique broer wil de wereld laten zien wie de eerste steen gelegd heeft. Bij mij gaat het om de naamloze metselaar, die de tweede, 93ste of 1451ste steen in de specie drukte.

Reünie

Kort voor mijn eeuwfeest in oktober jl. was ik op een reünie van oude fabriekspanden in Den Bosch. Ze waren er vrijwel allemaal: De Gruyter, de Willem II, de Koudijs, de Remington. Ook de Kruithoorn schoof aan. “Is het daar niet saai aan de Parallelweg”, vroeg ie. Ik grinnikte. En zei: “Jongen, nou moete gij eens goed luisteren. Gij bent nog mâr un menneke. Ik staoj d’r al een eeuw.” En ik begon kalm te verhalen over oude liefde die niet roest

Zo voel ik weer de gloed van de brand in november 1917. In die oorlogstijd stookten we turf in plaats van kolen om de stoommachines op gang te krijgen. In de turfopslag is het gaan broeien. Ketelhuis in vlammen. In de as.

Maar ik heb voor hetere vuren gestaan. Zoals 29 oktober 1929. Henri keek die ochtend nietsvermoedend naar de kalender. Een doodgewone donderdag. Enkele uren later smolten de koersen op Wall Street, als gietijzer bij 1250 graden. In mij en in mijn broer werkten toentertijd 211 mensen. Enkele jaren later nog maar 70. Tsja, crisis. Het zou niet de laatste keer zijn. Crisis krijgt snel heimwee. Ze komt altijd weer een keer terug.

Kindje

Toch heb ik het overleefd. Zelfs de oorlog. Wel heb ik in oktober 1944 schotwonden opgelopen. Van de Engelsen en Canadezen, in mijn borst en linkerzij. Spannende dagen: in de kelders van mijn broer schuilden honderden burgers. Er is zelfs een kindje geboren. Of-ie in de metaal is gegaan, weet ik niet. Dat hoop je wel. Mooi vak. Fitten. Kotteren. Boren. Draaien. Lassen. Koelcompressoren. Voor tientallen landen, maar ook voor eigen stad – van Heineken tot Sportiom. Wereldwijd marktleider in kou. Kippenvel.

Behalve koude rillingen heb ik veel warmte gevoeld. Van binnen. Enerzijds dankte ik dat aan de kolenkacheltjes in de hallen. Anderzijds aan de gemoedelijke sfeer. Want wie bij Grasso werkte, verstond elkaar. Of je nou uit Vlijmen, Den Bosch, Turkije of zelfs Orthen kwam: je sprak dezelfde taal van gietijzer en staal. Op het werk. Op de eigen toneelvereniging en vakschool. Zelfs op het sportveld, want we hadden een eigen voetbalclub. Onze jongens wonnen vaak. Stalen kuiten, gefreesd. Met een f, maar gefreesd met een v klopte ook. Onze vereniging heette VLD, de afkorting van Vooral Logisch Denken [VLD]. De voetbalclub is verdwenen, net zoals het motto in haar naam. Tijd is een buitenspelval.

Bruidsjurken

Soms zeiden voorbijgangers dat ik morsig was. Tsja, we maken geen bruidsjurken. Ik ben een fabriek. Mannenwereld. Zware stemmen die ‘Lola’ van The Kinks meezingen. Voetbalpraat in de kantine. Maar morsig? Al in 1920 openden wij een eigen badinrichting, waar onze jongens zich wekelijks verplicht moesten schrobben met Sunlight-zeep. Misschien dat de wilde wingerd, die mij tientallen jaren overwoekerde, me een ruige reputatie gaf? Maar ook dat is beknot. Als ik nu in de spiegel of naarbinnen kijk, zie ik een fris en ordentelijk gebouw.

Dat dank ik vooral aan de restauratie, waarvoor de gemeente en GEA, moederbedrijf van Grasso, de handen ineen sloegen. Wat ik van de intensieve opknapbeurt heb geleerd? Dat een gebouw kan volschieten: het ontroert me dat ik er nog mag zijn. Want mensen gaan dood. Maar monumenten kennen geen memento mori. Een pand dat is uitgeleefd, kan zijn doodvonnis afwenden. Dat heb ik zelf ondervonden. Er kwamen gebouwendokters. Veel ernstig kijkende mannen en een enkele vrouw. Wat die allemaal niet kunnen! Ze scanden me. Ze lichtten m’n dak. Ze injecteerden me. Met succes.

Vet

Hier sta ik. Honderd jaar. Tussen twee levendige wijken, Boschveld en het Veemarktkwartier, waar ik het goed mee kan vinden. Dat ik hier sta is geweldig en keifijn. Al ken ik twee eigentijdsere termen voor blijdschap. Zij doen beiden ook meer recht aan dit bedrijf. Dat ik hier nog sta, is cool. Maar het is vooral vet, het Nederlandse woord voor het Italiaanse grasso.

Is het tijd voor nog een eeuw? Ja. En tijd voor vet veest. Voor één keer met een V. De V die Henri Grasso hier honderd jaar geleden over zag komen.

___________________________________

Gelegenheidskroniek bij de heropening van het rijksmonument Grasso-fabriek in Den Bosch dd 15 november 2013

Attentie

Eind oktober 2013 is Stadskronieken verschenen: 36 columns over Den Bosch, haar buurten, bewoners en bezoekers. Brabants Dagblad-fotograaf Marc Bolsius maakte bij elk verhaal een foto. Ook biedt het boek 36 nawoorden: hoe hangt de vlag er nu bij in het leven van de betrokkenen? Stadskronieken [96 pagina's, hard cover] is verkrijgbaar bij boekhandel Polare Heinen in Den Bosch. Prijs: € 10. Als je het boek thuisbezorgd of -gestuurd wilt krijgen, kost het € 12,50. Interesse? Stuur me een mailtje: stadskronieken@gmail.com

Reacties

Nieuwe reactie inzenden

Uw e-mailadres zal niet openbaar worden gemaakt.